dondams

écrire c'est mourir un peu

Ziek op zondagavond

Nooit ben ik meer vader dan als hij ziek is. Het is een spel van rituelen, en elkeen ervan torst een zeker gewicht, zoals alle rituelen die even oud zijn als wijzelf een zeker gewicht hebben. Hem uit zijn van spuug en zweet doorweekte pyjama helpen. Met een washandje over zijn gezicht gaan. Hem warm induffelen en woordjes toespreken. De woorden doen er weinig toe, je probeert louter om geruststellend te klinken.
Het bed opkuisen. Lakens eraf halen, hopen dat er niet te veel gal en maagzuur in de matras is gekropen. Het raam even openzetten. Een wasmachine opzetten.

Soms, zoals vanavond, bekomen we eerst nog even samen op de zetel. Misschien komt er nog een salvo. Meestal moeten we gewoon even opnieuw moe worden. Nooit gaat hij gemakkelijker naar bed als na zo’n stille poos.
Hij wacht geduldig tot ik klaar ben met de dons in de nieuwe lakens te worstelen. Geluidloos vleit hij zich neer onder de wol. En morgen is hij dit allemaal vergeten, terwijl zijn ouders zich nooit meer betekenisvol voelden als nu.

 

Advertisements

De geschiedenis van waar we zijn

Dit is mijn ouderlijk huis, in hartje Lichtaart. Hier ontstonden mijn vroegste herinneringen.

250_001 280_001
Ik had het slechter kunnen treffen.

De foto’s zijn natuurlijk niet recent. De tuin is vandaag een pak minder wild dan honderd jaar geleden, en de kinderen die wat sinister poseren voor de camera, zijn inmiddels al lang dood. Toen ik als kind in dat huis woonde, was ik er zeker van dat het er spookte. Vandaag geloof ik dat misschien nog altijd.

Het huis behoorde toe aan ‘dokter Luysterborghs’, die later ook burgemeester werd.

Dit was zijn familie. De dokter staat uiterst rechts, kind op de arm. Coole vent.

ca_object_representations_media_2814_lowresdownload

Ik ken weinig verhalen van hem, behalve dat hij de eerste auto van het dorp had. De mensen waren dat nog niet gewoon, dus om niet iedereen een hartaanval te geven – ook al had dat veel business opgeleverd – reed meneer doktoor er tergend traag mee door de Lichtaartse straten, terwijl hij luid ‘Pas op!’ riep telkens hij iemand passeerde. De nummerplaat van die auto hangt nog ergens in huis. Wit op lichtblauw, wat de plaat best uitzonderlijk maakt, want blijkbaar heeft België maar twee jaar lang nummerplaten in die kleurencombinatie uitgevaardigd: tussen 1912 en 1914. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het wit op pikzwart. Toepasselijk.

In die Groote Oorlog stierf overigens één soldaat in Lichtaart: Nestor Bajot, een Waal. Hij werd op 20 augustus ’14 erop uitgestuurd om te zien waar de Duitsers bleven. Hij vond ze ergens in de bossen tussen Lichtaart en Herentals, en bekocht het met zijn leven. Bajots lichaam is nog naar meneer doktoor gebracht. Ik heb geleefd, gespeeld wellicht, in de ruimte waar zijn lichaam ooit lag te wachten om begraven te worden.

Dat ráákt mij, ook al ben ik 71 jaar en drie dagen na zijn dood geboren. Mijn hart wordt warm van dit soort petites histoires, zelfs al zijn ze eigenlijk godsgruwelijk. Daarom was ik ook zo ontroerd, echt ontroerd, toen ik eens in het midden van een slapeloze nacht op die oude foto’s van mijn eigen ouderlijke huis stootte, scrollend door een of andere veilingsite voor postkaartjes en dergelijke. Dat geluk heb ik wel: ons huis staat op een postkaart. De kinderen die je vanuit een ver verleden aanstaren, duwen je met je neus op je eigen vergankelijkheid. Generaties hebben in dat huis gespeeld voor er zelfs nog maar sprake was van mij, mijn broer of mijn zussen.

Which brings us to this.

IMG_5260 juf monique 063

Dat is Lou, de guitige hoofdrolspeler van deze blog. Maar dat is ook het lokale Rode Kruis, net na de Tweede Wereldoorlog. De stenen zijn dezelfde. De trappen op de achtergrond zijn dezelfde. De grote houten deur is dezelfde. Het is het voorplan van het imposante gemeentehuis – districtshuis moet ik nu zeggen – van Borgerhout, toevallig gelegen op het plein waar we drie jaar geleden ons eerste huis kochten. Nu speel ik letterlijk elke dag met Lou op een blok granieten geschiedenis. Via de blog Krugerplein & Peperbus botste ik op een heel aantal oude foto’s van dat plein, en van het mooie gemeentehuis, dat trouwens net gerenoveerd is.

Hoe graaf is dit?

dyn003_original_640_437_pjpeg__a15ad3b6de97b15f56ac0526d3662cad

De lelijke paal naast het gemeentehuis is een telefoonmast. Die staat er inmiddels niet meer. Deze foto moet op een meter of tien, twintig rechts van onze deur genomen zijn. Het hoekpand rechts achteraan huisvest nu café Mombasa.

We vergeten het te vaak, de geschiedenis van waar we zijn, de voetsporen waar we bijna letterlijk in lopen. Maar als ik die oude foto’s bekijk – en ik doe al dagen niets anders – dan kan ik niets anders voelen dan een soort misplaatste trots. Op een of andere onbeduidende manier, maakt mijn zoontje nu deel uit van de Borgerhoutse geschiedenis. We spelen verstoppertje op die trappen. Hij oefent met zijn step op de plek waar bijvoorbeeld in 1927 deze politieman een speech gaf:

001IMG_5261

En als hij moe is, puft hij uit met zicht op de Eliaertsstraat. Een zicht dat veel gezien heeft doorheen de jaren.

001-1IMG_E4174

Zomaar met de poep op een stuk geschiedenis.

 

 

 

Vergeten

Tussen de schaatspiste en kerststalletjes huppelde Lou in het rond. Meer dan in de kraampjes, koopwaar of kerstbomen leek hij geïnteresseerd in die geel-zwarte kabelbruggen die ze over dikke kabels leggen, zodat niemand erover struikelt. Lou gebruikte ze als een soort ramp om op te klimmen en weer af te glijden of springen. Zo kuierden we verder.

Plots deed hij iets grappigs. Zijn mama en ik schoten onbedaarlijk in de lach, hij liet het zich welgevallen en huppelde verder. ‘We zouden al die gekke dingen die hij doet en zegt moeten beginnen opschrijven’, zei ik. ‘Het is zo snel vergeten.’ Dat was gisteren.

Vanmiddag vroeg ik Ellen waar we nu zo mee moesten lachen gisteren. We wisten het niet meer.

 

 

Een ander leven

De kleuterjuffen hebben een website gemaakt. Daarop zetten ze foto’s van de kleuters tijdens de dag. Dan doen ze leuke dingen zoals speculaas bakken, of ze zetten grote schilderwerken op touw. Soms staan er andere foto’s tussen, van wanneer ze niet met de groepsactiviteit van het moment bezig zijn. Die foto’s zie ik het liefst. Kleuters spelen met de autootjes, leggen een puzzel, rusten even uit op het bankje. Op die beelden zijn ze zichzelf.

Sinds kort staat er een bekende snoet tussen. Dus keer ik nu dagelijks terug naar die website, en dan scroll ik door een lukrake dag uit het leven van mijn zoon waar ik gewoonweg niet bij was. Waar niemand van ons bij was. Een dag in een volledig andere cocon, met andere mensen, andere gezichten en andere dingen, die geen uitstaans hebben met al het vertrouwelijke (voor hem, maar nog meer voor mij) van thuis.

Hoe raar voelt het, om te moeten erkennen dat die kleine binnenkort dingetjes gaat meemaken die wij soms nooit zullen weten. Nu horen we het nog wel, als er een broekje werd onder geplast, of een moeilijke puzzel gelegd. Maar wat zal hij binnenkort uitsteken tijdens de speeltijd? Waar zal hij zo hard om moeten lachen tijdens het schilderen? Met welk vriendje zal hij drie minuten ruzie hebben omdat ze allebei naar dezelfde blokkendoos grepen? En hoe zullen ze het daarna weer bijleggen? Wat zal hij komen vertellen thuis? En wat niet?

Ik kijk naar de foto’s en ik zie hem spelen, luisteren en lachen. Soms is hij heel actief ergens mee bezig en heeft de juf duidelijk geprobeerd om hem in beeld te brengen. Af en toe poseert hij. Maar de mooiste en ook meest hartverscheurende foto’s zijn die waar hij per ongeluk op staat. Terwijl op de voorgrond een klasgenootje vlijtig aan de slag is met lijm en papier, duikt hij plots op in de verte, het gezicht op oneindig, uitblazend op het bankje. Een kleine cameo, in een nieuw aspect van zijn leven dat niet het onze is.

Het eerste van vele.

Geschaafde knieën

Hij moet nog zoveel meemaken. De krant vertelt wat je moet doen als je kind niet wordt uitgenodigd voor een verjaardagsfeestje, ik ben uitgeput na de derde alinea. Jezus Christus, hij moet nog zoveel meemaken. Al die godsgruwelijke ijkpunten van een kindertijd. Een ongelukje op de speelplaats, geschaafde knieën, het klasgenootje dat de hele dag naar zure melk ruikt, de eerste stamp in je kloten, oudere jongens die er met je bal vandoor gaan, een lelijke trui moeten aandoen.
Mijn brein loog, al die tijd dat ik gelukzalig dacht ik ervan af was. Alleen staat nu mijn kind in de vuurlinie. En hij moét erdoor. En het voelt zwaarder dan vroeger.

Binnenkort zal hij dingen voor het leven beginnen onthouden. Hoe het meisje uit de kleuterklas haar boterhammen onderkotst, vlak voor je neus, in een refter die sowieso al naar melk en accidentjes rook. Of hoe je je broek helemaal onder plast op tien centimeter van het toilet, tijdens het kerstfeest met de hele familie. En hoe de wereld onder je vandaan leek te zakken.
Wat kan een ouder dan meer doen dan je zachtjes van dat kerstfeest smokkelen, jokkend dat een glas wijn boven die broek is omgestoten.

Binnenkort zal hij dingen voor het leven beginnen onthouden. En hij moet nog zoveel meemaken. Wat kan een ouder meer doen?

 

 

 

 

Ever young in my pages

Onlangs tweette @smienos een Arabisch gedicht met de Engelse vertaling ernaast. Mijn Arabisch staat niet echt op punt, maar de vertaling ging zo:

Don’t worry,
My sweetest,
You are in my poetry and in my words.
You might grow old in years
But you are ever young in my pages.

Die kwam binnen.

Schrijven, in essentie, stopt de tijd. Het geschreven woord onthoudt wat het vluchtige geheugen vergeet. Het herinnert, stelt vast, vergelijkt. Ik heb in mijn leven nog niet zo gek veel goede dingen gedaan, maar schrijven is er een van. Dat doe ik al lang genoeg om mezelf af en toe te trakteren op een tochtje langs mijn eigen herinneringen.

Naar mijn tienerjaren, bijvoorbeeld, verstopt in afgesleten, grijze Atomaschriftjes vol warrige, over elkaar struikelende hyperbolen die vaker wel dan niet met een meisje te maken hadden. Ik grinnik om de ondraaglijke onzekerheid die van de pagina’s spat en schaam me om de spelfouten.

Tijdens mijn studentenjaren stroomden de woorden er onophoudelijk uit. Elke dag een nieuwe worp. Alles gebeurde toen, zo leek het. En toch, als ik die dingen herlees, voel ik vooral de drukkende warmte van mijn zolderkamer op kot. De wijn is op, Absynthe Minded uitgezongen en mijn knieën knikken bij de belofte van een kus. In mijn archief is het altijd juni 2005.

Het is er ook altijd afscheid nemen van overleden vrienden. Ik buis er telkens opnieuw voor schriftelijk Frans. In mijn schrijven neem ik geen woorden terug waar ik het beter wel had gedaan en sterft ons hondje altijd in de kast met de jassen. Maar ik blijf er solliciteren voor een stage bij het blad waar ik acht jaar zou blijven. Ik overleef elke keer weer die middag in het park toen twee gasten mijn geld vroegen en ik het niet wilde geven. En ik zal er altijd de moeder van mijn kind omarmen voor de deur van het café. Ik zal haar altijd zeggen dat ik haar wil kussen, terwijl het ijl wordt in mijn hoofd en zij het hare dichterbij brengt. Ever young in my pages.

In één van die grijze Atomaschriftjes staat een filmcitaat. “Our scars have the power to remind us that the past was real.” Dat was het zeker.

Koers

Zondag was zijn eerste koers. Die van bewonersgroep Den Dreihoek, enkele straten verder. “Een bochtje om”, voor de allerkleinsten. Op het loopfietsje. Papa of mama mochten meelopen.

Hij snapte het wel. Snel rijden. De bocht nemen en dan doorgaan tot bij mama, aan de streep.
En hij werd toegejuicht. Omdat al die pups werden toegejuicht, natuurlijk. Omdat hij de halve wedstrijd op kop koerste, misschien. Maar toch zeker ook omdat hij letterlijk luidop aan het lachen was achter zijn stuurtje. Kirrend van plezier zat hij op zijn fiets.
Hij stopte als mensen hem van dichtbij aanmoedigden. Dan lachte hij breed naar hen, en wees hij naar waar hij moest rijden. Al die pauzes kostten hem wellicht de zege. Ach.

Hij hoorde mijn stem en voelde tijdens de bocht mijn hand in de rug, om zo zeker te zijn dat hij niet in de omheining zou belanden. Toen ik even van zijn zijde moest wijken omdat een naaste concurrent me anders tegen de hielen zou rijden, was hij me even kwijt. Ik zag hem drie meter voor me vertragen, maar dit keer was er niemand die hem deed stoppen. Ik haastte me dichterbij en hoorde hem, middenin het kabaal van supporterende omstanders,  ‘papa papa papa papa?’ vragen. Dan keken we elkaar weer in de ogen en zag ik de opkomende paniek in zijn ogen plaats ruimen voor, opnieuw, puur geluk. Vol gas.

Aan de finish stond zijn mama en ik herkende mijn eigen trots in haar ogen. Hij snelde haar gibberend tegemoet, werd tweede. Hij kreeg een medaille, vond dat maar raar. Hij begreep niet goed waarom hij al moest stoppen en reed nog een meter of dertig verder. Daarna werd hij op een podium gezet. Dat zinde hem niet. Hij greep jammerend naar zijn mama naast hem. Ze moet iets leuks gezegd of gedaan hebben, want prompt begon hij hartstochtelijk te lachen. Hij klapte in de handen, drie seconden lang. Daarna had hij het wel gezien met al dit gedoe en gingen we een banaan eten.

Hij is, toen ik laatst even in de ogen wreef, een persoon geworden. Met eigen gedachten, ideeën en gevoelens. Dit is de baby niet meer die achteloos onderging wat zijn ouders voor hem uitstippelden. Dit is een piepkleine jongeman die zich op weg naar ‘de koers’ een keer of zeven omkeerde in de buggy en ons met brede grijns en pretlichtjes in de ogen aankeek, goed beseffend dat hij naar iets leuks vertrok, ook al kende hij het concept ‘koers’ nog niet. De weg is nog lang, maar beetje bij beetje geven we hem al uit handen, aan de wereld, die bijwijlen aan zijn voeten lijkt te liggen.

Natuurlijk komen er nog heel veel ‘papa papa papa papa?’-momenten. Nog veel meer dan nu, gok ik. Hoe meer hij van die wereld leert kennen, hoe meer vragen hij zal hebben. Maar hij moest niet eens tweede worden om ons te doen beseffen dat hij goed vertrokken is, die kleine. Die jongen.

18298973_302420743522396_8482626105419759616_n.jpg

Een parfum

Het kan komen door een onverwachte kus, of door een hoofd dat op mijn schouder wordt gelegd: een parfum van genegenheid me bedwelmt. Ik ken haar geuren goed. Blind zou ik kunnen zeggen of zij er is of niet.

Soms lokt zo’n geur of zo’n kus me terug naar het begin. Naar de eerste week toen alles nieuw was.  Dan speelt de film van ons ontstaan zich voor mijn ogen af en zie ik zoveel voorzichtigheid en onhandigheid. De eeuwigdurende mars van de ene auto naar het andere café, daags na de eerste dronken kus, in stilte haast, uit angst om de droom uit te spreken en zo te doorprikken. Het weekend van onzekerheid, van koortsachtig heen-en-weeren in mijn hoofd, tot het volgende wederzien en het avontuur in haar ogen te lezen stond. Ze gaf me een blik die je enkel op de schoot van je geliefde geven kan.

Hoe ik me kon wentelen in haar geur, toen al. Ik snoof haar op als een verslaafde. Ik gaf haar mijn sjaal, alleen maar om met hem nog een stuk van haar mee te kunnen nemen naar mijn thuis. Ik wachtte ongeduldig als ze elders was geweest en er even de geur van een vreemd huis in haar kleren hing. Ik rolde opzettelijk op haar kussen als ze eerder opstond.

Vandaag zijn we al lang genoeg samen opdat de miljarden microben op en in onze lichamen onderling inwisselbaar zijn. We zijn letterlijk vermengd in in nieuw leven. Maar al die dingen doe ik nog. Mijn verslaving aan haar laat zich vatten in mijn drang om haar te ruiken. Een chemische reactie die zegt: kom bij mij. Als de film voor mijn ogen is uitgespeeld, ruik ik de hoofdstukken die nog komen zullen.

 

In een huis

Een droom is het niet.
‘s Nachts ga ik naar het slapend kind kijken en dan komt een golf aanzwellen, almaar hoger en luider, tot ik de deur weer achter me dicht trek en de golf me in dezelfde beweging overspoelt. De deur valt in het slot en ik moet een moment nemen om weer boven te komen – nog liever zou ik verzuipen.
Nooit is de liefde voor het kind zo onaantastbaar en ongrijpbaar als nu, wanneer hij en de wereld slapen en ik alleen ben met zijn ademhaling. Korte zuchtjes die mijn hart aan diggelen slaan.

Komt wel goed.

De zorgen krijgen me zelden te pakken. De wereld, het werk, het huis, de liefde, de kleine: ik ben er gerust in.

Als vrienden me daarover bevragen, monkel ik graag dat ik lijd aan ataraxie, een uit het Grieks ontleende term waar Pyrrho en Epicurus “de totale zielsrust” mee bedoelden. Dat klinkt bijzonder gewichtig, maar ik leerde die ‘aandoening’ ook maar kennen dankzij de voorts weinig memorabele film Lucky Number Slevin.
Pakt de ataraxiepiste niet, refereer ik met de nodige poeha wel aan de Amerikaanse journaliste Mary Schmich, die in een door Baz Luhrmann wereldberoemd gemaakte column schreef:

Don’t worry about the future. Or worry, but know that worrying is as effective as trying to solve an algebra equation by chewing bubble gum. The real troubles in your life are apt to be things that never crossed your worried mind, the kind that blindside you at 4 p.m. on some idle Tuesday.

Mooi, zeg! Wat een heerlijke instelling heb jij, Mathieu! Ik wou dat ik er ook zo over kon denken!

Bof. De simpele waarheid is deze: ik maak me zelden zorgen omdat ik me nog maar zelden zorgen heb moeten maken. Mijn leven is tot nu toe belachelijk gemakkelijk gegaan. Ik ben geboren in een warm en welgesteld gezin. Ik kreeg de kansen naar mijn kop gesmeten en werd er uiteindelijk journalist mee. Ik deed stage in mijn laatste jaar en werd prompt aangenomen. Ik ontmoette een mooi meisje en kocht er een huis mee. We hadden nog maar net besloten om voor een kindje te gaan en ze was al zwanger. Negen nagenoeg vlekkeloze maanden later was daar een vlekkeloos kind, Lou, een droombaby die lacht en speelt en knuffelt en op één vervelend probleempje met de longen na kerngezond is.

Ik zou me schamen mocht ik me zorgen maken.

Maar dan is het ineens ergens tussen middernacht en twee uur en lig ik klaarwakker in bed naast mijn zalig slapende alles. Dan, tussen middernacht en twee, ben ik de slechtste journalist ter wereld, die iedereen al jaren voor de gek houdt en elk moment ontmaskerd kan worden. Dan ben ik een weifelende vader die zich afvraagt waarom de moeder van zijn kind in hemelsnaam met hém een kind wilde. Dan is het probleem met Lou zijn longen plots loodzwaar, levensbepalend en doodeng. De vreselijkste, donkerste gedachten doemen dan in me op, aangepord door lang bezworen spoken, tot ik suf gepiekerd in slaap sukkel. De volgende ochtend sta ik op met weke herinneringen aan al dat tobben. Terwijl ik mijn tanden poets, duw ik de schaamte weg en denk ik: “Komt wel goed”.