dondams

écrire c'est mourir un peu

Het is oorlog en het is sterker dan mezelf

Het is oorlog. Het is oorlog en ik heb het gevoel dat ik dat hier even moet zeggen, ook al zeg ik hier al lang niets meer.

Bekentenis: ik heb een zwak voor militair vertoon. Ooit was ik enkele dagen embedded’ bij de Belgen in Libanon en sindsdien heb ik alleen maar respect en ontzag voor onze jongens in uniform. Maar ’t is ook uit historische interesse. Ik lees graag over hoe de Belgen stand hielden tijdens De Groote oorlog, dat ze zelfs de Duitsers in de pan hakten in wellicht de laatste cavalerie-aanval ooit. Het raakt me dat Belgische piloten Servische doelwitten bombardeerden in de nadagen van de Kosovo-crisis. En toen ISIS dood en verderf zaaide in het Midden-Oosten, schreeuwde elke vezel in mijn lijf om boots on the ground. Ik wilde onze jongens mano à mano die schoften onder de zoden zien steken. Het is sterker dan mezelf.

Een kleine 20 uur geleden begon Rusland met zijn invasie van het soevereine Oekraïne, een daad waar de geschiedenis niet zacht over zal oordelen. En ik wil alleen maar wraak. Door mijn hoofd flitsen gruwelijke wensdromen over wat er met Poetin – fuck it, met Rusland – moet gebeuren. Een klein deeltje in mij hoopte zelfs even – héél even – dat er per ongeluk een doelwit in Polen of Turkije zou geraakt worden. Dat, met andere woorden, een NAVO-bondgenoot zou aangevallen worden, en de rest van de NAVO dus geen keuze meer had dan in het offensief te gaan, en Moskou zou branden. Ik wil Moskou zien branden. Het is gek hoe sterk dat gevoel is.

Natuurlijk zal dat niet gebeuren. En gelukkig maar, want ik wil geen kernbom op Brussel zien vallen. We zullen Kyiv zien vallen, en Oekraïne zien wegkwijnen. En hopelijk zal hetzelfde gebeuren met Rusland, door de sancties, en komt het over een jaar of tien allemaal weer min of meer goed.

Misschien daarom, om me te verlossen van die wraakgevoelens, kwam daarnet ‘In Diesen Heil’gen Hallen’ voorbij op Spotify, een stukje uit Die Zauberflöte. Enfin, niet zomaar een stukje. Een stukje dat op het doodsprentje van mijn opa stond. Ik ken de tekst vanbuiten, maar durf de betekenis al eens vergeten. Vannacht droom ik niet meer van wraak, alleen maar van verbroedering. Laat ons hopen dat ze enkele duizenden kilometers verder ook nog eens Mozart opleggen.

“In diesen heil’gen Hallen,
Kennt man die Rache nicht.
Und ist ein Mensch gefallen,
Führt Liebe ihn zur Pflicht.
Dann wandelt er an Freundes Hand
Vergnügt und froh ins beßre Land.”

“In diesen heil’gen Mauern,
Wo Mensch den Menschen liebt,
Kann kein Verräter lauern,
Weil man dem Feind vergibt.
Wen solche Lehren nicht erfreun,
Verdienet nicht ein Mensch zu sein.”

De trade-off

(Noot: dit is een blog over voetbal en ik ben een beetje dronken)

Met het ouder worden, werd ik me bewust van de trade-off. Die lag zo rond mijn twintigste voor het grijpen en was heel duidelijk: schuif het van je af, en het zal minder pijn doen. Het zal ook minder schoon zijn, soms. Maar het zal minder pijn doen.

Die trade-off werd me ook aangeraden door iemand veel ouder en wijzer dan ik, na een zoveelste kutmatch met een kutref tegen een kutploeg. En zo onverdiend dat het allemaal was.

“Zet het van je af”, zei-ie. “Zeg het vaarwel.”

Het had gekund, toen. Er was een window of opportunity. Mijn tot dan toe altijd groeiende obsessie met het voetbal en de Club was al een jaartje gestagneerd. Er was de hogeschool, de grote stad, een compleet nieuw leven met nieuwe vrienden en nieuwe cafés en nieuwe meisjes. Zulke mooie meisjes. Ik had die oude, blauwzwarte liefde opzij kunnen zetten, zodat ik me nooit meer zou opjagen in slechte arbiters, gemiste kansen en weinig getalenteerde trainers.

Haha. Neen, ik had dat natuurlijk nooit echt gekund. De voorgestelde trade-off was nooit een optie. Ook later niet. Ik weet nog dat ik ooit letterlijk dacht: een kind krijgen, dat zal alles wel in perspectief plaatsen. Klopte fucking niks van. Lou was amper geboren of ik gooide alweer pantoffels naar Olivier Deschacht.

Waarom? In vier woorden, hierom:

‘De goal van Refaelov.’ Rafa heeft wel meer belangrijke en mooie goals gemaakt in zijn leven, maar geen enkele was zo belangrijk en daarom ook zo mooi als deze.

Ik kan daar een hele uitleg over geven – bekerfinale, laatste minuut, oververmoeid, eerste prijs in jaren – maar het volstaat om te zeggen dat ik van deze goal moet wenen.

Moet, tegenwoordige tijd. Nog altijd. Om allerlei schijnbaar triviale redenen is dit de belangrijkste goal uit mijn leven als Clubzot. Een ijkpunt in dat leven, zelfs, en in dat van de Club.

Al de emoties die loskwamen bij dat doelpunt zou ik dus gemist hebben, als ik me tien jaar eerder had overgegeven de goedbedoelde raad van die oudere wijze man. Terwijl die goal alleen al alle ellende waard is, natuurlijk. Club mag letterlijk elke match verliezen, in omkoopschandalen verwikkeld raken, failliet gaan: de pijn die zulke omstandigheden zouden veroorzaken, weegt geen sikkepit op tegen De Goal Van Refaelov.

Ik moet eraan denken, terwijl ik dit in een waas van cognac en Sufjan Stevens zit neer te pennen, omdat mijn Club zonet onverdiend is uitgeschakeld in de zestiende finales van de Europa League tegen Dynamo Kiev. Een voetnoot in de geschiedenis, maar een die, wel ja, pijn doet. Echt heel veel pijn.

Ik kan een hele uitleg geven over het waarom – heroïsche heenmatch, halve ploeg out met covid, de betere ploeg – maar het volstaat om te zeggen dat ik van dit verlies zou kunnen wenen.

En toch. Dit uit mijn geheugen wissen, samen met al de rest?

No fucking way.

(gepikt van Belga. Sorry Belga)

Een afscheid

Elke stap in dit huis is een afscheid. De papieren zijn getekend, de tijd is onherroepelijk: minder dan twee maand nog. De lente moet nog beginnen als we zijn verhuisd, naar een groter huis, en een mooier, en met een tuin, en bij een bos, en al die andere vakjes van de ’30 somethings zoeken het groen op’-wishlist die we konden afvinken.

Het is op alle vlakken een juiste stap, de logische stap, de verwachte stap. Maar naast alle dingen die dat huis en die tuin en die straat en dat bos te bieden hebben, denk ik ook aan alle dingen die het nooit zal kúnnen bieden. Het zal nooit ons eerste huis zijn, dat we haast ‘en stoemelings’ kochten. Het zal nooit de opluchting zijn die we toen voelden, na al die maanden zoeken en ernaast grijpen. Het zal nooit de spanning zijn van die dagen: een baby onderweg en een compromis onder de arm.

Het zal nooit het eerste huis zijn van onze kinderen. De plek waar ze thuiskwamen, na die eerste dagen in het ziekenhuis. Waar ze tussen ons sliepen, naast ons, hun eigen kamer kregen. Hun eerste stapjes zetten. De deur leerden open prutsen, het plein opliepen. Het plein. Ze zullen nooit meer pleintjesvoetballer kunnen worden.

Het is een oneerlijke strijd, want natuurlijk gaan er zoveel meer herinneringen ontstaan in dat nieuwe huis. Ik mag niet vergelijken, maar de liefde kent geen rede, en ik ga deze eerste liefde missen met heel mijn hart.

Elke stap in dit huis is een afscheid. In gedachten zeg ik vaarwel tegen elke scheve plank in de vloer, tegen de barst in de muur, tegen de mooie schouw, tegen mezelf. Want wie zal ik zijn in dat nieuwe huis, op die nieuwe plek? Ik weet het niet.

Stormnacht

Het was in het diepst van de nacht en de wind blies harde dikke druppels tegen onze ramen. Het geraas en gerammel had hem wakker gemaakt, en daarna mij ook. Ik opende mijn ogen en keek recht naar hem, op onze kamer, met zijn hoofd tussen de gordijnen. En ik zag mezelf staan, ongeveer zo oud als hij nu, starend uit het raam van mijn kinderkamer, naar de regen en de bliksem en de krakende notenboom voor mijn raam.

Wordt dit zo’n herinnering voor hem? De wind en de regen en dat geluid – die sirene die de wind afsteekt als ze gulzig de ruimte inneemt die ze voor onze deur vindt, zal hij die dingen nu opslaan en nooit meer echt vergeten? En zal hij dan later, tijdens een volgende stormnacht, zijn eigen zoon zien staan – voor het raam, met zijn hoofd tussen de gordijnen? En zal hij dan zichzelf zien staan?

Charlie

Het leven holt je langs alle kanten voorbij. Je moet het bijhouden, documenteren, vastleggen. Dat probeerde ik ooit met deze blog. Lukte niet echt – mijn laatste bericht hier dateerde van augustus 2018. Een maand later werd deze knaap geboren:

AA5E7B88-D47B-42C8-87FE-00DD95BB1BD6

 

Charlie. Ongelooflijk dat het anderhalf jaar geduurd heeft voor ik over hem iets schrijf. Hij verdient het nochtans zo. Mijn lieve Charlie, zo anders dan zijn broer en toch zo gelijkend. Alle clichés zijn waar. Je denkt op voorhand dat je nooit evenveel van iets of iemand zal kunnen houden als van je eerstgeborene, en dan is die tweede daar, en dan doe je het toch. Mijn god wat ben ik dol op dit ventje. Zijn ijzeren wil. Zijn liefde voor dansjes en liedjes. Hoe hij moet giechelen als ik mijn coronakapsel over zijn gezichtje laat glijden.

En zeker hoe hij zijn hoofdje op m’n schouder legt, als hij moe en overstuur is en alleen maar vastgenomen wil worden, en dan, zodra ik hem in m’n armen heb, alle opgekropte spanning laat varen, zodat ik hem voel leeglopen tegen mijn borst, met dat hoofdje in m’n nek.

Hij maakt ons gek, soms. Hij wil bediend worden als een koning. Hij stampvoet en schreeuwt. Ik steek het op zijn moeilijk begin, toen hij maandenlang werd geteisterd door vreselijke krampjes. Hij hield er een soort sérieux aan over die ik bij Lou nog altijd niet zie. Lou is vaak bang en argwanend, ja. Maar Charlie is doorwinterd en berekend.

Ze vinden elkaar steeds beter, die twee. Natúúrlijk is Lou, goedzak die hij is, al van het prille begin een modelbroer, die niets liever wil dan zijn broertje knuffelen. Daar was de kleine in het begin zelden mee gediend, maar nu lukt dat dus al aardig. Ze kunnen makkelijk een uur met elkaar spelen, zonder dat ik moet tussenbeide komen. De kleine holt de grote achterna, en die vindt het meestal wel oké. Ze kunnen zelfs al poseren:

B3DB4599-7582-42EE-BB33-7CF695A0388D

Ik wil nog zoveel over hen vertellen.

Het kind tussen de mensen

Zoals elk kind, heeft ook Lou een aantal specifieke talenten. Hij is behoorlijk goed in het vangen van een bal. Puzzels zijn een makkie. En op de loopfiets bewaart hij zo goed zijn evenwicht dat hij graag eerst snelheid maakt en dan met beide benen opgetild door de drukte laveert, slalommend tussen mensen, palen en plassen. Moeten we iets mee doen, ooit.

IMG_0072

Traktor rijden kan-ie ook al.

(Er zijn natuurlijk ook dingen waar hij minder goed in is. Hij praat niet veel beter dan kinderen die de helft van zijn leeftijd hebben, en de signalen dat Lou een kleine Mozart of Picasso is, blijven angstvallig uit.)

Zijn mooiste talent is dit: waar Lou gaat, daar veranderen mensen. Een van de leukste dingen aan dit ouderschap is achter Lou kunnen lopen terwijl hij door de stad stapt. Geen mens die hem in de ogen kijkt zonder te glimlachen.

Er zijn de omaatjes en schoolmeisjes, sowieso. Passanten van wie je verwacht dat ze even stil blijven staan om in Lous wangetjes te knijpen. Maar veel boeiender zijn de onzichtbaren. De anonieme, vaak mannelijke stadsgenoten die overal tussen de plooien vallen en je bijna niet meer opvallen. De man op de tram die zit te knikkebollen in zijn verkleurde trainingsjas, maar wiens ogen oplichten zodra hij het kind gespot heeft dat hem onderzoekend aankijkt. De glimlach die op zijn lippen verschijnt.

Het lijkt soms echt een wonder. Ik heb rochelende straatjochies in een seconde zien veranderen in poeslieve broertjes. Anonieme voorbijgangers bij wie meer wanhoop dan hoop in de ogen staat, tot het moment dat die kleine blonde krullenbol hen lachend voorbijfietst, en hen herinnert aan een menselijkheid die ze even vergeten leken.

Daklozen lachen hun tandvlees bloot, ruige mannen met lange zwarte baarden toveren snoepjes tevoorschijn uit hun djellaba’s. Een spoor van aardigheid laat Lou achter. Ik beeld dan ook me graag in hoe zo’n woest uitziende vent na de confrontatie met Lou een klein beetje zachter wordt. Dat zal wel niet, maar die paar seconden pakt niemand hem af.

Ziek op zondagavond

Nooit ben ik meer vader dan als hij ziek is. Het is een spel van rituelen, en elkeen ervan torst een zeker gewicht, zoals alle rituelen die even oud zijn als wijzelf een zeker gewicht hebben. Hem uit zijn van spuug en zweet doorweekte pyjama helpen. Met een washandje over zijn gezicht gaan. Hem warm induffelen en woordjes toespreken. De woorden doen er weinig toe, je probeert louter om geruststellend te klinken.
Het bed opkuisen. Lakens eraf halen, hopen dat er niet te veel gal en maagzuur in de matras is gekropen. Het raam even openzetten. Een wasmachine opzetten.

Soms, zoals vanavond, bekomen we eerst nog even samen op de zetel. Misschien komt er nog een salvo. Meestal moeten we gewoon even opnieuw moe worden. Nooit gaat hij gemakkelijker naar bed als na zo’n stille poos.
Hij wacht geduldig tot ik klaar ben met de dons in de nieuwe lakens te worstelen. Geluidloos vleit hij zich neer onder de wol. En morgen is hij dit allemaal vergeten, terwijl zijn ouders zich nooit meer betekenisvol voelden dan nu.

 

De geschiedenis van waar we zijn

Dit is mijn ouderlijk huis, in hartje Lichtaart. Hier ontstonden mijn vroegste herinneringen.

250_001 280_001
Ik had het slechter kunnen treffen.

De foto’s zijn natuurlijk niet recent. De tuin is vandaag een pak minder wild dan honderd jaar geleden, en de kinderen die wat sinister poseren voor de camera, zijn inmiddels al lang dood. Toen ik als kind in dat huis woonde, was ik er zeker van dat het er spookte. Vandaag geloof ik dat misschien nog altijd.

Het huis behoorde toe aan ‘dokter Luysterborghs’, die later ook burgemeester werd.

Dit was zijn familie. De dokter staat uiterst rechts, kind op de arm. Coole vent.

ca_object_representations_media_2814_lowresdownload

Ik ken weinig verhalen van hem, behalve dat hij de eerste auto van het dorp had. De mensen waren dat nog niet gewoon, dus om niet iedereen een hartaanval te geven – ook al had dat veel business opgeleverd – reed meneer doktoor er tergend traag mee door de Lichtaartse straten, terwijl hij luid ‘Pas op!’ riep telkens hij iemand passeerde. De nummerplaat van die auto hangt nog ergens in huis. Wit op lichtblauw, wat de plaat best uitzonderlijk maakt, want blijkbaar heeft België maar twee jaar lang nummerplaten in die kleurencombinatie uitgevaardigd: tussen 1912 en 1914. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het wit op pikzwart. Toepasselijk.

In die Groote Oorlog stierf overigens één soldaat in Lichtaart: Nestor Bajot, een Waal. Hij werd op 20 augustus ’14 erop uitgestuurd om te zien waar de Duitsers bleven. Hij vond ze ergens in de bossen tussen Lichtaart en Herentals, en bekocht het met zijn leven. Bajots lichaam is nog naar meneer doktoor gebracht. Ik heb geleefd, gespeeld wellicht, in de ruimte waar zijn lichaam ooit lag te wachten om begraven te worden.

Dat ráákt mij, ook al ben ik 71 jaar en drie dagen na zijn dood geboren. Mijn hart wordt warm van dit soort petites histoires, zelfs al zijn ze eigenlijk godsgruwelijk. Daarom was ik ook zo ontroerd, echt ontroerd, toen ik eens in het midden van een slapeloze nacht op die oude foto’s van mijn eigen ouderlijke huis stootte, scrollend door een of andere veilingsite voor postkaartjes en dergelijke. Dat geluk heb ik wel: ons huis staat op een postkaart. De kinderen die je vanuit een ver verleden aanstaren, duwen je met je neus op je eigen vergankelijkheid. Generaties hebben in dat huis gespeeld voor er zelfs nog maar sprake was van mij, mijn broer of mijn zussen.

Which brings us to this.

IMG_5260 juf monique 063

Dat is Lou, de guitige hoofdrolspeler van deze blog. Maar dat is ook het lokale Rode Kruis, net na de Tweede Wereldoorlog. De stenen zijn dezelfde. De trappen op de achtergrond zijn dezelfde. De grote houten deur is dezelfde. Het is het voorplan van het imposante gemeentehuis – districtshuis moet ik nu zeggen – van Borgerhout, toevallig gelegen op het plein waar we drie jaar geleden ons eerste huis kochten. Nu speel ik letterlijk elke dag met Lou op een blok granieten geschiedenis. Via de blog Krugerplein & Peperbus botste ik op een heel aantal oude foto’s van dat plein, en van het mooie gemeentehuis, dat trouwens net gerenoveerd is.

Hoe graaf is dit?

dyn003_original_640_437_pjpeg__a15ad3b6de97b15f56ac0526d3662cad

De lelijke paal naast het gemeentehuis is een telefoonmast. Die staat er inmiddels niet meer. Deze foto moet op een meter of tien, twintig rechts van onze deur genomen zijn. Het hoekpand rechts achteraan huisvest nu café Mombasa.

We vergeten het te vaak, de geschiedenis van waar we zijn, de voetsporen waar we bijna letterlijk in lopen. Maar als ik die oude foto’s bekijk – en ik doe al dagen niets anders – dan kan ik niets anders voelen dan een soort misplaatste trots. Op een of andere onbeduidende manier, maakt mijn zoontje nu deel uit van de Borgerhoutse geschiedenis. We spelen verstoppertje op die trappen. Hij oefent met zijn step op de plek waar bijvoorbeeld in 1927 deze politieman een speech gaf:

001IMG_5261

En als hij moe is, puft hij uit met zicht op de Eliaertsstraat. Een zicht dat veel gezien heeft doorheen de jaren.

001-1IMG_E4174

Zomaar met de poep op een stuk geschiedenis.

 

 

 

Vergeten

Tussen de schaatspiste en kerststalletjes huppelde Lou in het rond. Meer dan in de kraampjes, koopwaar of kerstbomen leek hij geïnteresseerd in die geel-zwarte kabelbruggen die ze over dikke kabels leggen, zodat niemand erover struikelt. Lou gebruikte ze als een soort ramp om op te klimmen en weer af te glijden of springen. Zo kuierden we verder.

Plots deed hij iets grappigs. Zijn mama en ik schoten onbedaarlijk in de lach, hij liet het zich welgevallen en huppelde verder. ‘We zouden al die gekke dingen die hij doet en zegt moeten beginnen opschrijven’, zei ik. ‘Het is zo snel vergeten.’ Dat was gisteren.

Vanmiddag vroeg ik Ellen waar we nu zo mee moesten lachen gisteren. We wisten het niet meer.

 

 

Een ander leven

De kleuterjuffen hebben een website gemaakt. Daarop zetten ze foto’s van de kleuters tijdens de dag. Dan doen ze leuke dingen zoals speculaas bakken, of ze zetten grote schilderwerken op touw. Soms staan er andere foto’s tussen, van wanneer ze niet met de groepsactiviteit van het moment bezig zijn. Die foto’s zie ik het liefst. Kleuters spelen met de autootjes, leggen een puzzel, rusten even uit op het bankje. Op die beelden zijn ze zichzelf.

Sinds kort staat er een bekende snoet tussen. Dus keer ik nu dagelijks terug naar die website, en dan scroll ik door een lukrake dag uit het leven van mijn zoon waar ik gewoonweg niet bij was. Waar niemand van ons bij was. Een dag in een volledig andere cocon, met andere mensen, andere gezichten en andere dingen, die geen uitstaans hebben met al het vertrouwelijke (voor hem, maar nog meer voor mij) van thuis.

Hoe raar voelt het, om te moeten erkennen dat die kleine binnenkort dingetjes gaat meemaken die wij soms nooit zullen weten. Nu horen we het nog wel, als er een broekje werd onder geplast, of een moeilijke puzzel gelegd. Maar wat zal hij binnenkort uitsteken tijdens de speeltijd? Waar zal hij zo hard om moeten lachen tijdens het schilderen? Met welk vriendje zal hij drie minuten ruzie hebben omdat ze allebei naar dezelfde blokkendoos grepen? En hoe zullen ze het daarna weer bijleggen? Wat zal hij komen vertellen thuis? En wat niet?

Ik kijk naar de foto’s en ik zie hem spelen, luisteren en lachen. Soms is hij heel actief ergens mee bezig en heeft de juf duidelijk geprobeerd om hem in beeld te brengen. Af en toe poseert hij. Maar de mooiste en ook meest hartverscheurende foto’s zijn die waar hij per ongeluk op staat. Terwijl op de voorgrond een klasgenootje vlijtig aan de slag is met lijm en papier, duikt hij plots op in de verte, het gezicht op oneindig, uitblazend op het bankje. Een kleine cameo, in een nieuw aspect van zijn leven dat niet het onze is.

Het eerste van vele.